Een systeembenadering

De principes achter een familieopstelling zijn nogal lastig te begrijpen. Voor zover bekend zijn systeemopstellingen gebaseerd op geweten, en gevoelens van schuld en onschuld. Overigens kan een opstelling niet geheel verklaard worden en zijn er ook geen 'harde' causale verbanden aan te wijzen. Dat hoeft ook niet, er wordt gewerkt met wat er is, en dat blijkt voor het doel als therapeutische methodiek genoeg.

Voor een uitgebreide beschrijving en verduidelijking met voorbeelden verwijs ik naar het boek: ‘de verborgen dynamiek van familiebanden’ van Bert Hellinger met Gunthard Weber en Hunter Beaumont, hoofdstuk 1.  Hieronder een korte samenvatting.

Hellinger onderscheidt drie soorten geweten, namelijk een persoonlijk geweten, een systemisch geweten en het ‘geweten van het grote geheel’. Het geweten dat wij kennen als een gevoel van schuld en onschuld wordt het persoonlijke geweten genoemd. Het systemische geweten is een verborgen geweten dat we niet voelen en dat voorrang heeft op het persoonlijk geweten. Het staat ten dienste van een andere orde, die de natuurlijke wetmatigheid is die het gedrag van menselijke relatiesystemen vormt en bepaalt. Het derde soort geweten dat in ons werkzaam is, is mysterieus, het volgt niet de wetten van het persoonlijke en het systemische geweten, en wijst ons de weg naar een groter geheel.

Bij het persoonlijk geweten gaat het om onze primaire behoeften in al onze relaties. Als primaire behoeften in relaties worden onderscheiden: 1. de behoefte om ergens bij te horen, dat wil zeggen aan binding; 2. De behoefte aan evenwicht bij geven en nemen; en 3. de behoefte aan veiligheid van sociale regels en voorspelbaarheid, dat wil zeggen aan orde.

Deze behoeften ervaren we als noodzakelijk en werken op een complexe en soms conflicterende manier op elkaar in. Als onze daden onze relaties ten goede komen voelen we ons onschuldig. Brengen onze daden onze relaties in gevaar, dan voelen we ons schuldig. Volgens deze definitie hebben schuld en onschuld niets te maken met goed of kwaad volgens de maatschappelijke moraal.

Als het gevoel van erbij horen bedreigd wordt, ervaren we schuld als uitsluiting en vervreemding. Wanneer dit gevoel van erbij horen bevestigd wordt, ervaren we onschuld als een gevoel van intiem opgenomen zijn en nabijheid. 

Wanneer wij geen evenwicht tussen geven en nemen kunnen bereiken, ervaren wij schuld als in het krijt staan of als iets verplicht zijn. Wanneer wij dit evenwicht vinden, ervaren wij onschuld als ergens recht op hebben en als vrijheid. 

Wanneer wij in ons gedrag afwijken van de sociale orde, ervaren wij schuld als een overtreding en als angst voor de gevolgen of voor bestraffing. Onschuld te aanzien van de sociale orde ervaren wij als gewetensvol en loyaal zijn.